.

.

dinsdag 21 april 2020

Hooi composteren als kaartspel.


Inleiding

Deze methode is opgedragen aan Stella, omdat ze is ontstaan tijdens haar leven, en omdat ze invloed heeft gehad op het ontstaan. Zonder haar geen methode.

Onderstaande methode, om te composteren is opgedeeld in afzonderlijke delen, om het overzichtelijk te maken. De methode is tot stand gekomen door het jarenlang uitproberen van verschillende mogelijkheden en onmogelijkheden. Vaak ging het mis, was de compost mislukt, hielden we alleen hooi over of moesten we opnieuw beginnen. Vooral de droge luchtvochtigheid zorgde voor problemen. Portugal is niet het meest voor de hand liggende continent om met composteren te beginnen, maar het kon niet anders. We wilden ons eigen voedsel verbouwen. In principe eerst alleen groente, en daarna misschien granen, vruchten en bonen. Het idee achter het telen van eigen groenten was, het niet afhankelijk zijn van het aanbod en de koop in winkels. Dit omdat die groente vaak bespoten is met insecticiden.
De composteer methode is dus met vallen en opstaan tot stand gekomen, gewoon omdat de omstandigheden het ons dicteerden.
De methode is een ontrafeling van een stuk werkelijkheid, zoals dat ons is overkomen. In andere omstandigheden was dat ongetwijfeld anders geweest. Elk klimaat heeft zijn eigen wetmatigheid en daar is iemand afhankelijk van, ondanks onze slimheid en dankzij onze ervaring, want die was er wel.
We hopen dat u er wat aan heeft, wij hebben ons voordeel er mee gedaan. Onze grond is nu vruchtbaar, onze groente smaakt en oogt goed en het doet ons wél bevinden. Met plezier gaan we elk jaar weer aan de slag, om de oogst van het haalgebied weer binnen te halen, om zo weer compost te kunnen maken, om de grond nóg weer beter te kunnen laten zijn, en zo de groente te kunnen oogsten, die voortreffelijk smaakt en naar onze zin is.
Veel leesplezier.

De omstandigheden voor deze manier van composteren. De omstandigheden waarop en waaronder we hier in Portugal composteren zijn kenmerkend voor dit land. Bijna geen regen, als het regent kan er véél regen vallen. Waarom doen we het zo? Wat streven we na? (Droogte, hitte, steenstof, beschikbaarheid van grassen en kruiden, etc. Geen/minder:  vlees, bestrijdingsmiddelen, machines, ) 


Als je aarde is uitgeput dan moet je eerst gaan kijken of er nog steenstof is.

Hoe weet je of er nog steenstof aanwezig is in je aarde??Er zijn maar twee situaties waar er géén steenstof is, puur zand en veengrond.

Waarom doen we het zo? Versus houtskool, versus gft, versus mest, versus kunstmest De omstandigheden hier in Portugal, maken dat ,door de lucht droogte, we gedwongen zijn om elke poging tot composteren, het nodig is de composthoop af te sluiten van invloeden van buitenaf. Hitte, kou en droogte, maar ook zware regenbuien en wind maken deze bescherming noodzakelijk. Dit kan in een andere omgeving totaal anders zijn. Misschien moet men denken aan composteren in een woestijn, als vergelijking.

Het verslag;
Het verslag van de methode is weergegeven als een kaartspel, met als doel het later nog eens uit te gaan geven, als een kaartspel.

1. Een: AAS: GROND
De grond als verzamelplaats voor steenstof.
De grond is in dit geval, onze tuingrond.
In deze tuingrond laten we planten groeien,
om ons te voorzien van voedsel.
Steenstof ontstaat doordat gesteente onderhevig is aan,
verwering door regen, wind,hitte en wrijving.
In deze steenstof zitten de mineralen die we o.a. nodig
hebben voor de opbouw van ons lichaam.
De planten die in de tuingrond groeien geven enzymen af
om de mineralen op te nemen. Het bacterieleven, wat ook in
de grond leeft, breken ook mineralen af, voor zich zelf en voor de plant.
Dit kan alleen als er genoeg carbon of organische stof in de
bodem aanwezig is. Het bacterieleven betrekt zijn energie van
het carbon. Dus steenstof, carbon of organische stof, bacteriën, lucht en water,
bepalen of de grond vruchtbaar is.



2. TWEE: Het haal gebied.
Het haal gebied is het gebied waar we gras en kruiden, in het wild laten groeien.Om zo een gewas te kweken, waar we compost van kunnen maken. We laten dit gewas doorgroeien, tot het hooi op stam is. Het kan zichzelf dan weer uitzaaien, voor het volgende jaar. We maaien dit gewas met de hand zeis, zodat er een goede stoppel ontstaat. Deze stoppel beschermd de grond tegen zonlicht, wind en regen. Het microleven, wormen etc. hebben dan ook bescherming. Wanneer de grond te weinig oplevert, om een goed gewas te telen, kan men bemesten met tuinafval, faces van mensen, en andere reststromen. Als ze maar niet chemisch vervuild zijn, met antibiotica of hormoonresten. Het gewas krijgt zijn energie van de zon en de regen, en omdat het maar één gewas per jaar is, kan normale grond, dat opbrengen. Op de lange duur, ontstaat er een evenwicht tussen planten die stikstof in de grond vastleggen, leguminosen, en planten die dat nodig hebben. Ook kunnen planten stikstof uit de lucht halen. De oppervlakte van het haal gebied moet ten minste 15 keer zo groot zijn dan het tuin of akker gebied. Hooi bestaat meer uit lucht dan vaste stof. Het haal gebied legt dus zonne energie en Co2 vast in carbon, na compostering. Haal gebied, tuin en akkerbouw zijn nodig om toegang te hebben tot organische stof, om bacterieleven te hebben, en mineralen vrij te maken, in de steenstof, voor planten groei, als voedsel voor mensen. 
  1. DRIE: Het maaien.

Het maaien doen we met de handzeis, om een goede stoppel te krijgen. Het maaien zelf, is een beweging vanuit de heup, die resulteert in een cirkelvorm. De zeis houden we vast met de rechterhand beneden, en de linkerhand boven. De cirkelvorm beweging start van rechts naar links, en wordt tegelijkertijd, in één beweging naar je toe getrokken. Het is een handigheid die goed aan te leren is, maar kost wel enige kracht. Elk gezond mens kan het leren. Het is meer handigheid, dan kracht. De zeis moet zo nu en dan geslepen worden met een handstik. Dit is een slijpsteen die je in het verlengde van de zeis, over het scherpste gedeelte van de zeis haald. Daarnaast moet een zeis ook een paar keer per jaar geslepen worden op een zachte draaisteen, met waterbad. Het maaien doen we in de avond, dit om de hitte van de dag te ontwijken. We maaien niet meer dan nodig is voor de volgende dag, om te kunnen dompelen. 
Om het hooi gedurende het gehele proces hanteerbaar te houden maken we er hooi pakketjes van die makkelijk op de hooivork passen en niet te zwaar zijn. Het trappelen van de hooipakjes, doen we in de morgen, als er nog dauw op het land is. Hierdoor wordt het hooi een beetje vochtig, wat goed is voor de pakjes vorm. De ton (40 liter), waarin getrappeld wordt, heeft een tapse vorm, dus de bodem is smaller dan de bovenkant, dit zodat het getrapte pakje, makkelijk uit de ton te krijgen is, door hem om te draaien. De handigheid zit in het feit dat je niet meer hooi met een hark oppakt dan in de ton kan, om een mooi evenwichtig pakket te krijgen. Dit vraagt enige routine. We brengen de kant en klare pakjes naar de plaats waar gedompeld wordt. Wat niet in de dompelton past, stapelen we op voor de volgende dag. Op deze manier kunnen deze pakjes drogen in de vorm waarin ze zijn getrappeld.


Hooi op stam, wat zijn de kenmerken? Dat het gras is overgegaan in hooi, dus van groen naar geel, en het door stijfheid van het droog zijn, instaat is om zelfstandig te blijven staan.
Geen gebruik van machines
Pakjes voor hanteerbaarheid en begrensde lichamelijke belasting in het proces
  1. VIER: Percolatie vocht. Starter/Infusie

Om te kunnen dompelen hebben we percolatie vocht nodig. Dit is een mengsel van water met koemest. De bacteriën die in de mest zitten, hebben we nodig voor de afbraak van het hooi, als we gaan composteren. Op één emmer water gaat maar één kopje mest. Dit is al genoeg om later het dompelbad bij te vullen. Dit percolaat slaan we op in een apart vat, om het later te gebruiken. De mest kan zich dan door het water verspreiden, met daarin het bacterieleven. Bacteriën hebben water nodig om zich in leven te houden, en elkaar. In dat water is het dan net oorlog. Na het dompelen, gaan we druipen. Ook dat percolaat gaat in de percolaat bak.Dit is een aparte bak om percolaat te maken en te bewaren. En zo bouwen we aan een eigen soort verzameling van bacteriesoorten, die we nodig hebben om het hooi, wat in de dompelbad is, letterlijk, te besmetten met afbraak mechanismen, om zo het composteren in gang te zetten. Vocht en bacterieleven gaan samen. In een droge omgeving sterven bacteriën af en komen er schimmels voor in de plaats. Dit komt omdat schimmel werking zich via draadvorming gemakkelijker over een grotere afstand kan ontwikkelen, dan als bacterieleven. En schimmel werking is moeilijk afbreekbaar voor bacteriën, waardoor beschimmelde compost geen energie kan leveren aan de bacteriesoorten, die de mineralen in de bodem afbreken voor de plant. Het is dus belangrijk om het hooi te voorzien van voldoende vocht en de goede bacteriën, dus moet er gedompeld worden.
  1. VIJF: Dompelen. Bacteriële infusie

Om de bacteriewerking voor het composteringsproces van het hooi op gang te brengen dompelen we het in het perculatievocht. Er is voldoende vocht nodig in de gehele stengel van het hooi, om deze bacteriewerking op gang te brengen. Anders zou het alleen maar aanklevend vocht zijn, en dat is niet genoeg voor de bacteriewerking als het hooi, als pakjes, in een hoop wordt gezet. We dompelen een aantal hooipakjes (14) in een dompelbad, stapelen ze hierin goed gespreid op, en drukken ze onder in het percolaatvocht. Dit dompelbad heeft in dit voorbeeld een inhoud van 300 liter. Omdat we te maken hebben met opwaartse druk (is gelijk aan het gewicht van de verplaatste vloeistof) vragen 14 pakjes ongeveer 60 kg. Ik ga er dan opstaan, en dek dit later af met een steen van hetzelfde gewicht. Dit onder drukken in het percolaat vraagt ook weer wat behendigheid en ervaring, maar is een eenvoudige handeling, en goed aan te leren. Het hooi blijft 24 uur in het dompelbad. Het gaat hier om het doordringen van vocht en bacterieleven in de stengel van het hooi. Dit is bepalend voor een goed verloop van het verdere compost proces. De luchtvochtigheid van de omgeving van het ondergedompelde hooi zal in het verdere proces altijd lager zijn en hierdoor het vocht onttrekken aan de composthoop. Dus het overvoeren met vocht in het hooi zal het compostproces tot het einde toe moeten bedienen. De hoop nat maken achteraf, gaat meestal niet, omdat vocht altijd zijn eigen weg gaat, en niet gelijkmatig de composthoop bevochtigt. Daarom bij het prille begin, gelijk goed aanpakken.
  1. ZES: Het druipen. Ademen 

Als we de steen uit de dompelbak hebben verwijderd, wat nog best zwaar is, dus denk om je rug, komen de hooipakjes, vanzelf bovendrijven. We nemen dan een greep of hooivork en prikken elk afzonderlijk hooi-pakje uit de dompelbak. We laten zoveel mogelijk het percolaat vocht eruit druipen en doen een aantal pakjes in een gereedstaande, niet lekkende kruiwagen. De kruiwagen zal ook percolaat vocht opvangen en dit zal tussendoor geleegd moeten worden in een gereedstaande bak. Dit vocht wordt vervolgens teruggedaan in de dompelbak. De hooipakjes, die mooi nat zijn, kunnen we nu in de uitdruip bak stapelen. De pakjes zijn door het percolaat en de druk in de dompelbak in elkaar geplet en passen in de uitdruipbak. Ondertussen kunnen de pakjes lucht opnemen. Lucht erin en het overtollige percolaat eruit. De pakjes blijven 24 uur in de uitdruipbak. De bacterie, die via het percolaat nu in het hooi zit, kan zich nu vermenigvuldigen doordat ze met lucht, dus zuurstof, in aanraking komt. Hierbij komt warmte vrij en dit proces noemen we broeien. Om zoveel mogelijk organische stof te behouden is het belangrijk om niet met te hoge temperaturen (20C-40C) te werken in het composteringsproces. Tevens willen we niet te veel CO2 veroorzaken. Het broeiproces kan nu al beginnen. Het is goed om dit proces te checken en de temperatuur van de druipbak te meten. Vindt er geen broei plaats of meet je te hoge temperaturen is het belangrijk om de omstandigheden aan te passen. Het hooi pakje heeft nu inwendig en aanklevend percolaat, en kan zijn weg beginnen, van hooi pak naar compost, maar het heeft nog een lange weg te gaan. Na 24 uur worden de pakjes hooi overgebracht naar een opslag ruimte, welke vocht dicht moet zijn. Dit, om het vocht in de pakjes te houden, (denk aan luchtvochtigheid die lager kan zijn) en om regen buiten te houden.
  1. ZEVEN: De opslag. Voorverteren en broeien

Vanuit de druipbak gaan de al lichtelijk broeiende hooi pakjes naar een tijdelijke opslagbak, of -ruimte. Het gaat er hier om voldoende volume op te bouwen om de big bag of een trunk uiteindelijk te vullen. De big bag en de trunk hebben allebei een m3 inhoud (ongeveer 107 hooi pakketjes in totaal). Dit is voldoende om tot 40 tot 60 graden broei te komen. Maar eerst terug naar het hooi. Stond het hooi op stam, nog met de eigenlijk functie van zaaddragende halm, nu is ze op weg om, via een bacteriëel proces, opgewaardeerd te worden tot een grondverbeteraar. In de opslag vind de voorvertering al plaats. Door de pakjes luchtig te stapelen kan het broeiproces zich goed verder ontwikkelen. De percolaat bacterie vindt hier zuurstof en vocht, en bouwt door interactie, beweging en voeding warmte op. Er vind ook strijd plaats tussen de diverse soorten bacteriën, het is letterlijk eten of gegeten worden. Juist de beschermde ruimte van de opslag geeft het bacterieleven de benodigde ruimte om zich te ontwikkelen, te groeien, en te eten aan de halmen en het blad. Zowel van binnenuit als aan de buitenkant van het hooi. Als na 8 dagen van opslag de big bag of trunk gevuld gaan worden is het hooi in feite al voorverteerd. Het bacterie leven heeft zich kunnen verspreiden over de samengeperste halmen, door het percolaat (vocht) als vervoersmiddel, de zuurstof als ademhaling en de halm als voedsel. Juist de vorm van de hooi pakjes, die we in een tonnetje getrapt hebben, maakt het ook hier goed mogelijk om te stapelen en de ton of bak weer gemakkelijk leeg te halen. Nu we voldoende voorraad hebben gaan we de big bag of trunk  vullen.
  1. ACHT: Het vullen van de big bag of de trunk. Compostering

Nu we voldoende hooi pakjes hebben opgeslagen, om een big bag of trunk mee te vullen, gaan we ermee aan de slag. Een trunk is een driezijdige kist op wielen, met een 4e wand om tijdelijk mee af te sluiten. De big bag is een grote nylon zak, die je in de trunk kunt doen om hem te vullen. Je kunt ook de trunk vullen met de pakjes uit de opslag, en daarna een plastic zak en de big bag er overheen doen. Beide methoden leg ik later uit. Maar eerst aan de slag. De trunk of big bag gaan we vullen met de oudste pakjes eerst. De eerste twee lagen (wat is een laag?)( een laag is één kruiwagen vol met pakjes) worden nog niet aangestampt, dit om een soort luchtbel onderin te behouden. Pas bij de derde laag beginnen we aan te stampen. Dit is nodig om het teveel aan lucht, dus zuurstof, er uit te stampen. Anders krijgen we een teveel aan broei, wat ten koste gaat van het uiteindelijke volume. Op deze manier komt de broei niet verder dan 40 graden en houd je zoveel mogelijk compost over. (Bij composteer methodes met  hogere temperaturen, dus meer broei, verlies je meer aan volume en houd je dus minder compost over aan het einde van het proces. Ook komt bij broei CO2 vrij. We willen niet meedoen met een teveel aan uitstoot van CO2, dus moeten we de broei afremmen waar het kan.) Het is handig om bij het vullen een extra kist boven op de trunk te hebben die hoger is dan de bigbag. Zo kunnen er meer pakjes gestapeld worden, als de trunk of big bag vol is. Na ongeveer 8 dagen is het geheel dan geslonken tot trunk of big bag niveau. Zo kunnen we de bigbag tot het maximale vullen. Zoals ik al zei zijn er twee opties: 1. Vul je een trunk met pakjes hooi ipv de bigbag, dan verwijder je de trunk na het vullen en pak je de hoop met hooi pakjes in met een plastic zak met big bag overheen. 2. Vul je een bigbag in een trunk dan pak je deze in met plastic, om het vocht in de hoop te houden en tegen uitdrogen te beschermen. Dat is van groot belang in deze hete streek. Met methode (1) kan de lucht er via de onderkant goed bijkomen. Het opstijgende vocht, door de warmte ontwikkeling, trekt zuurstof met zich mee. Er vind een opstijgende circulatie plaats in de hoop, van dat vocht. Dit druipt langs de zijkanten weer naar beneden, en gaat net zolang door als er warmte ontwikkeling is. Zolang er vocht en zuurstof in het hooi is, gaat het proces van afbraak voort. Met methode (2) kan er geen lucht meer bijkomen, er is dan niet meer lucht dan de hoop kan bevatten,en stopt de broei na een tijd.
  1. NEGEN: Het monitoren en omzetten van de big bag(s). Rijpen en finetunen

Om het composteringsproces in de bigbag goed te laten verlopen is het belangrijk om dit proces te monitoren. Minstens éénmaal per week dient men de hoop te controleren op vocht en temperatuur. Ze moet tevens goed ruiken, dus niet stinken naar zuur of zwavelig. Een goede composthoop, als ze nog jong is, ruikt vaag naar de mest die we gebruikt hebben voor het percolaat. Aan het einde van het proces ruikt het helemaal niet meer, het proces heeft zijn weg doorlopen, en alle geuren zijn verdwenen. In de zomer of winter composteren kan de tijdsduur van het proces beïnvloeden
Na drie maanden in de bigbag kijken we hoever het compostprocess is. We doen dit door de hoop uit te pakken en er met een schep in te steken. Als de buitentemperatuur boven de tien tot vijftien graden is en de schep gaat er makkelijk in, dan kunnen we de hoop omzetten en eventuele meerdere bigbags samenvoegen. Op dit punt komt het omzetten neer op rijpen. Na rijpen is de hoop verzadigen met zuurstof, waardoor het bacterie proces, zonder volume verlies, zijn werk kan doen. We pakken de hoop uit, snijden de compost met de schep klein en zetten hem om tot een nieuwe hoop op de aarde en dekken hem weer af met plastic.
Gaat de schep er nog moeilijk in, dan kan men twee dingen doen. Afwachten en verder aanzien (als het bijvoorbeeld heel koud is geweest), of de hoop omzetten om lucht erin te brengen. Zolang de composthoop vochtig is kunnen bacteriën hun werk doen. Is ze verdroogt of is het proces gestopt, dan is er maar één manier, opnieuw bevochtigen met percolaat en weer omzetten en afdekken. Als je het proces wilt versnellen kun je er voor kiezen om mest toe te voegen aan de hoop. Maar hierdoor zal het volume afnemen en de CO2 uitstoot verhogen.
Hoe lang na rijpen???( Dit hangt weer af van de omgevingstemperatuur, en hoe de hoop zichzelf heeft ontwikkeld in de richting van compost, het blijft een levend proces).
  1. TIEN: Het zeven van de compost. Hanteerbaar maken.

Als het hooi alle processen van afbraak heeft doorlopen, is ze zwart, niet te vochtig en los van structuur geworden. (Wat als wel te vochtig? En wat is te vochtig?)(Als wél te vochtig, dan beluchten tot het vocht verdampt, maar wel goed opletten dat de hoop dan weer niet té droog wordt). Ze kan nu gezeefd worden. We doen dit om de compost te verkleinen, de structuur meer strooibaar te maken en eventuele takken en stenen te verwijderen. Door het zeven brengen we de compost weer in aanraking met zuurstof en maken het makkelijk strooibaar voor het vermengen met de grond, waar het uiteindelijk voor bedoeld is. Het is handig als de zeef op steunen staat en vast zit aan een muur (dus niet beweegbaar) en zo hoog dat er een kruiwagen onder kan staan. De te zeven compost zit in een 2e kruiwagen, vlakbij de hand.  Met een kleine troffel drukken we de compost door een zeef met 2 cm grote openingen. Als de compost goed van structuur is, gaat dat makkelijk. De losse compost valt vanzelf door de zeef, maar de gevormde klonten moeten er doorgedrukt worden. Uitgedroogde klonten, dikke takken en stenen maken deze handeling moeilijk. Heb je last van droge klonten doe het materiaal (de compost) dan nog een week in een ton en bevochtig het. Daarna gaan deze klonten makkelijker door de zeef. Eventuele takken en stenen kunnen gescheiden nog dienst doen in een ander traject (compostthee?)(Takken voor biomailer, stenen voor verharding van de weg). De compost is nu klaar voor gebruik in de tuin of kan opgeslagen worden in bijvoorbeeld zakken.
  1. BOER: Het gebruik van compost in de tuin.

De compost is nodig om het bodemleven te activeren. Hiervoor mengen we het door onze tuingrond. Afhankelijk van de status van onze tuinaarde, de grote van onze tuin en onze doelen kan het handig zijn om bedden te maken en grote stenen te verwijderen. Vervolgens onderspitten en door de grond mengen met de schep. Als het bovenop de grond zou blijven liggen, kan het uitdrogen door de zon. Als het door de grond heen is gewerkt kan het proces beter van start gaan. We gaan ervan uit dat 10% van de tuinaarde compost moet zijn. Als de bodemactiviteit nog in ontwikkeling is voegen we meer compost toe. Naarmate de grond verbeterd, dit kan enkele jaren duren, hoeven we minder compost toe te voegen. Omdat we met lage temperaturen composteren worden de zaden in dit proces niet allemaal verbroeid. Om deze ongewenste onkruidzaden uit de tuin te weren doen we dit nu alsnog. Hiervoor  leggen we antiworteldoek over de gemengde aarde heen. Er kan zo wel vocht in de grond komen en de zon schijnt op het doek waardoor warmte ontstaat. Zo gaan de zaden kiemen, maar krijgen ze geen kans om te groeien. Ook ontstaat door het worteldoek in de bovenste laag van de grond, een warmte ontwikkeling die gunstig is voor het moment van zaaien. En dat doen we pas als alles er klaar voor is. Na iedere oogst bereiden we de tuinaarde weer voor door compost toe te voegen zodat de 10% steeds op peil blijft en het bodemleven genoeg activiteit heeft.
Hoeveel compost moet ik toevoegen?(Als we uitgaan van 10% organische stof van de grond, dan is de formule; dikte van de bouwvoor, maal lengte keer breedte maal 10%. Elk jaar weer.
En hoe vaak? Wanneer?

  1. VROUW: Het gebruik van mest

In onze tuin groeien onze groenten, het fruit en onze bonen of granen. We zijn zelfvoorzienend in ons voedsel en proberen zoveel mogelijk alle bestrijdingsmiddelen buiten onze omgeving en voedsel te houden. We verbouwen zoveel mogelijk zelf onze eiwitten, koolhydraten, vitaminen en mineralen. We hebben voor ons compostproces koeienmest nodig, maar als we alleen organisch eten, zou dat ook menselijke mest kunnen zijn. Men denkt daar verschillend over, maar bij twaalf miljard mensen kunnen we simpelweg niet allemaal vlees meer eten. Dus, als het zonder kan dan heeft dat de voorkeur. Omdat we bonen en erwten eten hebben we bijna ook geen vlees nodig. Er zitten genoeg eiwitten in peulvruchten, naast onze granen en groenten. Voor elke kilo vlees heeft een dier Koe? tien kilo graan nodig, dus de rekensom is vlug gemaakt. Vlees vraagt vele malen meer energie dan peulvruchten.
Echter, omdat een koe zoveel magen heeft (5) en door zijn darmstelsel, is zijn mest zo geschikt om te gebruiken bij het maken van het percolaat voor de compostering. Het liefst natuurlijk de mest van een koe die ook vrij is van o.a medicatie. Daarnaast kan een koe natuurlijk melk leveren, en van melk kun je o.a kaas maken. (alleen bij meerdere koeien met kalveren)( kaas maak je van aantal liters, maal stremsel en zuursel:dus als een koe 10 liter geeft kun je daar kaas van maken, elke dag) Maar ook het gebruik van zuivel is discutabel. Als een koe aan zijn einde is, kun je het vlees er van eten. Dat betekend dat we dan bijna geen vlees zouden eten, alleen als een koe vervangen zou moeten worden door een nieuwe koe. Dus in een landbouwgemeenschap zou het hebben van koeien hier een functie voor kunnen hebben. Het gaat dan alleen nog maar om wat we willen en wat er kan. En dan praten we nog niet eens over het landelijke waarin we zouden willen wonen, werken en leven (genieten).
  1. HEER: Het basis bewustzijn

Zonlicht, lucht, warmte en water zijn de basis van ons bestaan. Zonder deze bronnen zouden onze planten niet kunnen groeien. Daarom zou er meer aandacht aan deze bronnen moeten worden geschonken. Ook het bacterieleven in de grond kan het niet zonder stellen. Van dat bacterieleven zijn we afhankelijk om de mineralen los te maken uit de bodem. Dus de samenhang tussen de genoemde bronnen, onze grond, ons voedsel en onze lichaamsfuncties, zijn aan elkaar verwant. Onze cultuur schenkt daar nauwelijks aandacht aan. Feitelijk zou ons bewegen, ons denken en doen, daar meer op gericht moeten zijn. Waarom? ( Omdat. als we dichter bij de natuur zouden moeten leven, we ook dichter bij die natuur moeten gaan leven). Zouden we ons voor kunnen stellen dat het normaal zou zijn, als we dansen, dat we dan een bloemkool zouden kunnen uitbeelden, of een spercie boon, of voedsel. We hebben het nodig, om te kunnen leven, maar het komt niet tot uiting in onze kunst beleving. Alleen de schilder en beeldende kunst schenkt er aandacht aan, maar dat word weer achter gesloten deuren bewaard, en kost veel geld. In het gewone denken en doen is het naar de achtergrond verdrongen. Het planten leven, het voedsel en de samenhang tussen al die afzonderlijke bronnen van het bestaan zouden in een samenleving centraal moeten staan.


14:Dubbel aas


De aarde, toen die nog geen aarde was, maar een gaswolk, bestond v.n.l. uit mineralen, metalen, zuren en zouten. Toen ze afkoelde, stolde dat af tot gesteenten, water en lucht. Nog  weer later werd gesteente, door erosie, afgeslepen tot steenstof. Wanneer het echte leven begon, d.m.v. celgroei en -deling is nog niet duidelijk, maar ook niet zo belangrijk. Het is er en de aarde heeft deze basis elementen nodig voor haar bestaan, om verder te evalueren. Wat wij moeten doen is terugkeren tot die basiselementen, en van daaruit te evolueren in de richting van die basiselementen. De waarde van deze basiselementen weer op waarde schatten. 
Om ons te verzoenen met onze reikwijdte, en daar zit nog genoeg ruimte in. De elementaire gronddeeltjes geven ons de richting aan. Om planten te laten groeien, behoeven we alleen maar compost en grond te mengen. Doen we dit in een pot, dan zijn de voorwaarden al geschapen om de plant te laten groeien, naast water en lucht. Hoe we dan omgaan met de plant bepaald ons oogst gebruik. Slaan we de weg in van verwijdering van de basiselementen, dan komen we het weer tegen in de vorm van afval. Maar gaan we de weg van hergebruik, dan is alles een product. De aarde is ons geleend om er op en mee te leven. We zijn aarde, we keren er naar terug en we geven er vorm aan. Die vormende oorzakelijkheid keert weer terug in ons gedrag en gebruik van die aarde. Het is de cirkel van steenstof naar geest, en terug, via de plant, de lucht, het water en het innerlijke vuur, wat ons aanzet tot behoud. Het is alles wat ons nog rest, in dit leven, en op deze aarde. Die op dit moment tijdig lijkt te zijn.

15: Joker: Compost maar dan helemaal anders, omdenken


Compost wordt in de meeste gevallen gezien als voeding voor onze planten. Door de opkomst van oa kunstmest zijn we gaan denken dat dit de voeding voor onze planten is. Dat is ook zo, maar we zouden dit ook junkfood kunnen noemen. Als je zou weten dat aarde uit steenstof bestaat en dat zij daarom, alle benodigde voedingswaarde bezit, namelijk alle tot op heden bekende mineralen, waarom zou je dan iets moeten toevoegen??

Echter, in de meeste grondsoorten zijn deze mineralen niet zomaar toegankelijk. Hiervoor heb je een actief bodemleven nodig. Zonder een actief bodemleven liggen de mineralen opgeslagen in de steenstof. Planten kunnen deze niet rechtstreeks opnemen. Door bacteriën en koolstof  in de tuinaarde te brengen komt dit bodemleven op gang. Ook de planten zelf geven stoffen af aan de tuinaarde die het bodemleven beïnvloeden ter bescherming en behoud van zichzelf. Is het bodemleven eenmaal geactiveerd dan komen de opgeslagen mineralen vrij voor de planten en dus voor ons voedsel. Dus vergeet dat er iets ontbreekt en toegevoegd moet worden! Begrijp welke omstandigheden er nodig zijn om de aanwezige potentie te benutten. 

Met dank aan Kashi, Magda en Hans voor hun correcties en medewerking.

Hendrik :).

zondag 19 april 2020


Het land op de schop,
is het meest extreme scenario. Net als in wederopbouw van de jaren 50 krijgt de staat een veel grotere rol in de maatschappij. En tegelijkertijd veranderen onze opvattingen over onze leefstijl en hoe we met elkaar om willen gaan. Die twee trends versterken elkaar en de overheid krijgt de taak een nieuwe economie te realiseren. We redden uit de oude economie alleen datgene wat we mee willen nemen naar de toekomst. We willen goed voorbereid zijn op een volgende crisis dus de overheid krijgt na een zware gezondheids- en economische crisis de taak ons voor te bereiden op de klimaatcrisis. Gezien het succes van de apps waarmee drie jaar lang ons gedrag is gemanaged om intelligent uit de lock down te geraken, wordt er in de maatschappij voluit ingezet op ict en transparantie, deels ook ten koste van privacy. Boeren zullen hun gebruik van bestrijdingsmiddelen en andere milieu-indicatoren openbaar moeten maken. Door het grote sociale experiment dat de corona crisis is, komt de overheid er achter dat consumentengedrag wel degelijk beïnvloedbaar is en slaat actief aan het nudgen om een transitie van dierlijk naar plantaardig eiwit te bevorderen. De vleestax is snel ingevoerd en helpt overheidstekorten te dekken. De Corona-app wordt uitgebreid met een module om voedselinname en gezondheidsstatus aan elkaar te koppelen zodat je smartphone rood, oranje of groen kleurt na het avondeten, en je huisarts leest met artificial intelligence software mee. Als tegenhanger reguleert de overheid de techbedrijven en platforms om de privacy en het nuts-karakter van die voorzieningen te waarborgen. Evenzo gaan we in analogie van de zzp-ers inzien dat boeren de uitvoerende arm zijn van multinationals en dat we beter die kunnen afrekenen op true cost dan boeren subsidiëren en reguleren. Net als in de jaren 50 worden onafhankelijk kostprijzen berekend voor overheidsingrijpen, nu op basis van true cost. Robottechnologie dringt door en vervangt een groot deel van de immigranten voor seizoenswerk. Vooral in de tuinbouw wordt dit sterk gestimuleerd, enerzijds omdat we gezonder gaan eten maar dit voor lagere economische klassen wel betaalbaar willen houden, en anderzijds uitvoerende arbeid duurder wordt. Door alle innovaties verdwijnt de economische crisis snel uit beeld en stijgen de lonen waardoor automatisering en robotisering verder wordt aangejaagd. De combinatie van veranderende leefstijl, toenemende inkomens en een sturende overheid maakt dat de omvang van de agrarische sector wordt aangepast aan de beschikbare, en dalende milieuruimte. Tegelijkertijd wordt veel nieuwe technologie ontwikkeld die wordt geëxporteerd. De grote toeleveranciers in de landbouw en de voedselproducenten zien zich steeds meer als een (Noordwest) Europees bedrijf en werken in symbiose met vele kleinere start ups die ze soms opkopen om schaalgrootte te geven. In termen van veerkracht denken is dit scenario gericht op transformatie.


Uit foodlog. Door Krijn Foppe 19-4-2020.

zaterdag 18 april 2020

Coronavirus, overall.

Ook ik, hier in Portugal, heb te maken met het Coronavirus. Mijn dagelijkse doen speeld zich af op het terein, waar ik woon. En in het dorp kom ik maar één keer per week, om de broodnodige boodschappen te doen. De groente groeit, in deze regenachtige tijd, als kool. En de rivier, waar ik elke dag twee keer langsloop, vult het stuwmeer, met ongekende hoeveelheden water. Toch realiseer ik me, dat deze nieuwe werkelijkheid wel eens lang kan duren. De 'anderhalve meter' economie wordt het al genoemd, en ik vraag mij af wat het met ons doet. Handen schudden, mag niet meer. Net zo min als omhelzen. Wuiven naar elkaar en een elleboog kus, omdat het niet anders kan, mag nog net. Een mop vertellen, waar de Nederlander goed in is, gaat verloren door de extreme afstand. Hoelang moet het gaan, tot we weer bij elkaar mogen staan. Ik weet het niet. En nog kan de besmetting elk moment toeslaan, want ook de signalen, die het aangeven dat je besmet bent, zijn niet duidelijk. Je denkt, nú heb ik het niet, en dan plots, heb je het wel. En dan de conditie, die telt mee, en de leeftijd. Ik heb de leeftijd ervoor, bijna tachtig. Tachtig is prachtig, zeiden we vroeger, als je op een binnenweg reed, maar nu begint het te kriebelen, als ik er aan denk. En gaan we het volhouden, die 'anderhalve meter' economie, of kruipen we straks weer bij elkaar, als de regels versoepeld worden? En begint het circus dan weer opnieuw. Feit is wel dat we het allemaal gaan krijgen, die corona. Maar dan niet allemaal meer tegelijk, zoals nu. Maar het virus heeft zich ingebouwd in ons bestaan, daar ontkomen we niet aan. En een antivirus injectie duurt nog lang. Hoe antisipeer je dan?
Ik denk dat we moeten leren leven met zo min mogelijk te reizen. Dat we ons moeten bezinnen op het verbouwen van ons eigen voedsel. Dat steden ontmanteld moeten worden, omdat ze onveilig zijn. Het platteland zal weer bevolkt gaan worden. Het ambacht zal weer in de belangstelling stijgen, en de economie zal weer gericht worden op zelfontplooiing, waarbij de medemens niet langer gezien zal worden als uitbuitings objekt, maar dat wat hij of zij is, de medemens.
Maar hoe kom je de tijd door, als je afgezonderd in je huis woont, niemand langs mag komen, en de verveling toeslaat. Gaan we dan met iedereen bellen? Roddelen over de buren, kennisen, verwanten en vrienden. Gaan we eindelijk lezen, T.V. kijken, of gaan we denken hoe het verder kan? Want er zit ook een goede kant aan het verhaal. Voordat de industriële revolutie een feit was, was een samenleving best gewend om zich in zijn eenzaamheid te gedragen. Men wist niet beter. We hebben het in onze genen zitten, als het ware. Kijk er het stuk ; Hoe groen was Marx, er maar op na. Het gaat dus wel degelijk om afstand te houden, niet meer te pas en te onpas mensen aanraken, omdat het nu eenmaal zo hoort, of omdat het mode is. Ook de mode op zich, legd een ongehoord beslag op materialen en mogelijkheden. De overbodigheid van het gebruik van allerlei dingen als voedsel, verpakking, vervoer en diensten, zullen moeten worden teruggebracht tot het noodzakelijke. En het coronavirus, en de 'anderhalve meter' economie, gaat dat regelen. Het is het één of het andere. En na dit virus, komt er weer een volgende, omdat we té veel reizen en té veel op elkaar hangen. We zijn als wereld té veel met elkaar vervlochten geraakt, en daar moeten we nu de prijs voor betalen.
Het vele is niet goed, maar het goede is veel. Als we dit op ons dagelijkse handelen betrekken, gaan we het maken.
Ik kan me nu eindeloos bezig houden met lezen, kijken in mijn omgeving, praten met mijn kat, stukjes schrijven en luisteren naar mijn innerlijk. Wat zeggen mijn gedachten, en wat zeggen die gedachten over een ander, die er nu niet is? Tegen wie kan ik nog praten, want je existeert in de ogen van een ander, maar ik ben er nog wel. Ik zie het aan de letters die ik typ. Kom ik bij die ander terecht? Kom ik over, en waar mee kom ik over? En hoe, kom ik over? Het zijn de vragen die we met elkaar gemeen hebben in deze tijd.
Wat heeft dit nog met composteren te maken? Zijdelings natuurlijk wel. Als ik mijn wandeling maak, vooral in de morgen, meet ik de temperatuur van de hooi-composthoop. Die is nu 25 graden, de buitentemperatuur is dan nog 15 graden, dus de bacteriën in de hoop zijn nog bezig. Als de temperatuur in de hoop gelijk is aan de buitentemperatuur, kan ik de hoop verplaatsen, van beneden naar boven. Daar waar de tuin is. Ook de tuin houd mijn aandacht, evenals het onkruid, de vlinders en rupsen.
Ook tijdens mijn wandeling kom ik diverse dingen tegen, vooral als ik langs de rivier loop. De jonge vissen, die hun best doen om groot te worden door te eten. De schildpadden die liggen te zonnen op een steen. En als ik dan langs kom, en wat lawaai maak, duiken ze in het water. De Flore de Steffe, die met grote, witte bloemen staat te stralen in het glimmend groen. Het haal gebied, waar ik straks als de zomer er is, ga maaien, staat nu vol met bloemen. En dan vooral de Poppies, die orange staan te gloeien tussen de halmen. Het is een feest om naar te kijken, elke keer opnieuw.
Wat maakt het leven hier nu aangenaam, in deze tijd? Ik denk van mezelf dat ik de beschikking over zoveel ruimte, het meest prettig vind. Dat ik dat niet hoef te delen met anderen. Het klinkt misschien egoistic, maar ik zou het net zo goed kunnen delen met een naaste. Het gaat meer om het delen met anderen op afstand. Het in de natuur zijn, en alleen met jezelf te maken te hebben, ook jezelf kunnen redden, en hulp kunnen bieden aan anderen, als het nodig is, is daar een belangrijk onderdeel van.
De natuur komt naar je toe, als je stil bent, als er geen geluid is, als je geen lawaai maakt. Het valt mij op dat de vogels, als ik al héél dichtbij ben, mij pas opmerken. Dán pas vliegen ze weg.
Als u nu zou vragen, wil je altijd zo wonen? Zou ik ja zeggen, maar ik zou wel een ander om me heen willen hebben. Maar dat kan nu niet, en zo ben ik met al die anderen samen, net zo alleen als al die anderen, die ook alleen zijn, samen.

Hendrik:).

maandag 13 april 2020

Een andere manier van samenleven.

Soms, in een gewoon gesprek, komt er iets bovendrijven wat meer dan de moeite waard is om te onthouden. Het zinkt weer weg door andere belangrijke dingen in dat gesprek, maar dan later komt het toch weer bovendrijven. Zeg maar dat het onderbewuste, het heeft aangemerkt, als belangrijk, en dan, ploep is het er weer.

Dat was dus het onderwerp in het gesprek met een vriendin, wat ik me later herinnerde en nu  uitgewerkt heb.

We kennen allemaal het gewone huisgezin. Door de tijd en de bewustwording, zijn we aangeland in het huisgezin, dat grootouders weggestopt worden in bejaardentehuizen, zij horen niet meer bij het huisgezin. Terwijl dat vroeger een noodzaak was om het gezin draaiende te houden. Grootva en ma waren nodig als toezicht, kennisoverdracht en bij hulp in diverse omstandigheden.
Door allerlei invloeden van vrijheid tot en met de computer en wasmachine heeft men het gevoel dat men ontsnapt is aan de noodzaak tot het hebben van grootouders.
Terwijl nu het probleem zich voordoet dat ouders van het huisgezin, hun kinderen naar de kres, de peuteropvang en de school moet brengen (die zo nu en dan ook geen leraar (es) meer heeft) en niet terug kunnen vallen op grootva-ma, omdat die dat allemaal niet meer op kunnen vangen, omdat ze dat allang zijn ontwend, verleerd en er ook helemaal geen zin meer in hebben. Voed je eigen kinderen maar op, is het credo van nu.
Toch zou ik willen dat grootouders nog wel een taak zouden kunnen oppakken. Niet omdat grootouders het ideaal zouden zijn, maar meer omdat vier generaties, zaken als ouder en jonger zijn meer als natuurlijk zouden ervaren, omdat ze met elkaar omgaan. Elkaars inzichten, gewoonten en leeftijd gebonden perikelen, leren ervaren, op oude en jonge leeftijd. De afstand die nu tussen jongeren en ouderen bestaat, is kunstmatig ontstaan door onze maatschappij. Het was een natuurlijke ontsnapping aan de macht en de druk die jonge ouders ondervonden van hun ouders, op hun huisgezin, maar er is ook een heleboel verloren gegaan, daardoor.
Die tijd van vroeger, toen grootouders wel veel invloed hadden, komt nooit meer terug, daarvoor is de maatschappij te veel veranderd en doorgeschoten.
Wat wel kan, is grootouders zoeken op basis van gelijke gezindheid. Dat zijn dan geen echte grootouders maar ouderen op leeftijd, die passen bij de leefstijl waar het jonge gezin voor heeft gekozen.
Ik kom hierop, omdat ik toevallig bij een vriendin op bezoek was, en daar was ook een moeder met twee kinderen, een jongen en een meisje,een man van twintig, en ik van bijna tachtig. vier generaties dus.
Ze hadden op de markt een man ontmoet die klei producten (kleistenen als lego) voor kleine huisjes verkocht. De vriendin had klei uit de buurt gehaald en met zijn allen gingen ze een huisje bouwen van stenen en klei, en stokjes voor versteviging.
Ik was op dat moment niet in de sfeer om echt mee te doen, maar kon het wel observeren. En er ontstond een soort werkverdeling. De jongen en de vriendin gingen echte muren bouwen, de twintiger ging de inboedel alvast maken, stoelen en plantenbakken etc. Het meisje deed dan weer met de een mee en dan weer met de ander, en de moeder van de kinderen maakte foto's, om het vast te leggen voor later.
En de sfeer was goed. Ik zat alleen te kijken wie wat deed, en was alleen maar aanwezig.
Achteraf was dat goed, mij kennende had ik misschien wel een initiatief aangedragen, waarbij het spontane, was verdwenen.
Toch is zoiets als kleien met als doel, dorpen te bouwen, ook een leuk idee, vooral als dat dan weer verbonden wordt met een spel als monopoly, maar dan op een manier, in plaats van straten, een tuindorp, waar iedereen zijn eigen groentetuin heeft en alleen geld nodig heeft om b.v. de electra te betalen, die hij niet zelf kan opwekken, maar moet afbetalen van zijn verkochte groenten of granen.
Maar dit terzijde. Waar het me gaat is, dat ouderen gewoon aanwezig kunnen zijn bij kinderen, en alleen al door hun aanwezigheid de rust brengen, die kinderen op hun tijd nodig hebben. De spanning in het gezin, door de verschillende karakters wordt dan, als het ware, afgevloeid naar de aarde:)
Daarnaast denk ik dat het gezin in een platteland situatie, als gezin meer kansen heeft dan in een stad, met zijn vele spanningen. Weet men dat te combineren met ouderen die aansluiten bij de leefstijl van het gezin, dan heeft het gezin de meeste kans op een harmonieus zelfbestaan. En dan maakt het niet uit of de ouders een traditioneel gezin zijn, of een andere combinatie. Het gaat met name om de vier generaties die stabiliserend op elkaar inwerken. Denk ik.
Hendrik (:).

donderdag 9 april 2020

Stella * heeft onderstaand stuk voorgelezen op een vergadering, in Groningen
in 1983. Ook toen waren wij al met deze dingen bezig.

Hoe groen was Marx
Marx over landbouw en natuur.
Hoewel de praktijk van veel Marxisten iets anders doet vermoeden,blijkt het beslist niet zo te zijn, dat Marx geen oog had voor de negatieve gevolgen voor milieu en landbouw van de kapitalistische
productiewijze. In het hoofdstuk '' Grootindustrie en Landbouw'' uit ''Het Kapitaal'', gaat hij met name in op het verband, én de tegenstelling,tussen landbouw en kapitalistische productiewijze, en het product van deze laatste, de groot industries.Wijzelf vonden  frappante verbindingen en vergelijkingen met onze huidige biologische-landbouwpraktijk en hebben ons derhalve afgevraagd ''hoe groen Marx was'' en zijn redenering doorgetrokken naar de huidige situatie. Marx blijkt
nu hoogst actueel te zijn, wanneer hij met voorbeelden uit zijn tijd voorspeld:
'' Met het constant toenemende overwicht van de stedelijke bevolking, die door de
kapitalistische productie in de groote centra wordt opgehoopt, vergroot zij 
enerzijds de historische mobiliteit van de samenleving en vernietigt zij anderzijds
de stofwisseling tussen mens en aarde.....hiermee vernietigt de kapitalistische
productie dus de eeuwige, natuurlijke voorwaarde van duurzame vruchtbaarheid 
der grond. Daarmee vernietigt zij tevens de fysieke gezondheid van de arbeider 
uit de stad en het geestelijk leven van de arbeider op het platteland''. 
Hij illustreert  oorzaak en gevolg van de huidige kapitalistische productiewijze; de oorzaak van de
vernietiging van onze levensbronnen, ''de grond'', aan te vullen met water en lucht. De tijd heeft nu
geleerd, Dat de door de kapitalistische productiewijze gestimuleerde toepassing van landbouw vergiften , kunstmeststoffen en aanverwante negatief uitpakkende industriële producten; én het verzwijgen en het openlijk manipuleren van de feiten en gevolgen, die blijken uit het toedoen van deze productiewijze..dat dit alles desastreuze gevolgen heeft voor de stofwisseling, voortplanting, groei en erfelijkheid van al wat leeft. Marx spreekt terecht van de vernietiging van  ''de stofwisseling tussen mens en aarde'' en daarmee de vernietiging van de '' fysieke en geestelijke gezondheid van de arbeider (burger) ''. Aanvullend de vatbaarheid voor ziekte, vermoeidheid, stress en rusteloosheid en
daarmee het verlies van het kritisch vermogen over de kwaliteit van het bestaan.

Landbouw.

Marx noemt; '' een band tussen landbouw en industrie op basis van hun tegengestelde  wijze tot
ontplooiing gekomen gedaanten'' en: '' Iedere vooruitgang in het vergroten van de vruchtbaarheid van de grond voor een bepaalde periode, is tevens een vooruitgang in het vernietigen van de blijvende bronnen van deze vruchtbaarheid''.
Want ten eerste heeft er door de toepassing van kapitaalintensieve productiemethoden en industriële technologie op de landbouw een productieverhoging plaats gevonden, ten  goede komend aan de industriële ontwikkeling, maar ten koste gaand van de ontwikkeling van de landbouw (en arbeid). En ten tweede heeft het intensief gebruik van kunstmest-voornamelijk stikstof- geleid tot verstoring en vernietiging van het bodemleven. Het heeft de bodemvruchtbaarheid aangetast in plaats van bevorderd. Dat getuigt van een fout inzicht in dat wat werkelijk relevant is voor de productie van voedsel. Ook een fout uitgangspunt ; namelijk voedselproductie voor uitsluitend handelsdoeleinden, export en opbouw van (neven)- industrie, uitgegroeid tot multinationaal niveau.
Hiermee zijn schijnbehoeften gecreëerd. De consument wordt gemanipuleerd tot de consumptie van luxegoederen, waarvoor (nieuwe) afzetmogelijkheden zijn gemaakt.
Dit heeft geleid tot het bagatelliseren van de noodzaak, van de bevrediging van primaire behoeften
(voedsel, kleding, en het behoud van een leefbaar woonmilieu). Deze laatste zijn alleen ' interessant', wanneer directe winst voor de producent behaald kan worden. Het industrieel verwerkt product wordt naar voren geschoven. De landbouw is uit het gezichtsveld geraakt; het beeld wat men ervan heeft, is de intellectuele stedeling die, onbekend met de materie, wat rond rommelt op zijn boerderijtje... of de boer die wordt gekenmerkt als vervuiler.
Wanneer we dit toespitsen op het landbouwbeleid, gericht op export van landbouwproducten, dan heeft dit altijd een vertekenend beeld gegeven van de werkelijke opbrengst hiervan voor het nationaal inkomen. Waren de aantasting van het milieu, de terugloop van het humusgehalte, de aanslag op fossiele energie in de exportkosten meegerekend, dan was het saldo zeker negatief geweest.
Marx ging ons inziens uit van de gedachte, dat de stofwisseling tussen mens en aarde een onverbrekelijke voorwaarde  voor leven is.. Maar op de landbouwmethode die dat moet bewerkstelligen had hij nog geen zicht. Ook zijn tijdgenoten niet. De industrialisatie van de landbouw verkeerde toen nog in een beginfase. De' ontwikkelde gedaante van de landbouw ( en de  manufaktuur)', die in overeenstemming moet zijn met de 'volledige menselijke ontplooiing', de ' hogere synthese' begint nu vorm te krijgen in die landbouw methoden, die rekening houden met de stofwisseling tussen mens en aarde. We denken dan aan: de biologische landbouw, de biologisch-dynamische landbouw, organiese, , kringloop, macrobiotische of alternatieve landbouw, en verdere pogingen tot benaming en samenvatting van het bedoelde principe.
Het principe namelijk van het ononderbroken levensproces van bodem-dieren en bacteriën, kortom het bodemleven, wat nodig is om organisch materiaal om te zetten, via levende humus, naar stabile humus. De aanwezigheid van bodemleven bepaalt de bodemvruchtbaarheid, die in de toekomst de boer als economische basis moet dienen.

Marx was een optimist. Hij ging er van uit dat ' de kapitalistische productiewijze dwingt tot herstel, en wel in de vorm van een regulerende wet der maatschappelijke productie'. Wij delen zijn optimisme gedeeltelijk, want de kapitalistische productiewijze is nog steeds de heersende productiewijze en de gevolgen die deze voor ons het leefmilieu, lijken onherstelbaar.

Maar de kapitalistische productiewijze struikelt, in haar huidige vorm, over zichzelf. Zij ondergraaft haar eigen toekomst, ondergraaft haar eigen rentabiliteit, de grond. Op lange termijn ondergraaft zij haar eigen mogelijkheid tot herstel. Want zij mislukt naarmate zij haar weerbaarheid- de vruchtbaarheid van de grond heeft ondergraven. Zij is haar eigen ondergang.

Het kapitalistische model bij uitstek 'de vrije markt' uit zich in consumptie-explosie. De vraag en aanbod raken hierdoor ontwricht, nu de markt verzadigd raakt en nu successievelijk de grondstoffen hierdoor wegvallen en het milieu wordt verstoord. Verstoring van de vrije markt veroorzaakt een schijn crisis; een krizis van schijnbehoeften. De krisis geeft een versluierend beeld van de werkelijke situatie, namelijk die van het wegvallen van de grondstoffen en de vernietiging van de vruchtbaarheid van de bodem. Die zullen de werkelijke crisis vormen; de crisis van de primaire behoeften van de wereldbevolking. De kapitalistische producent blijft echter, ongeacht de gevolgen voor het eigen  voortbestaan, zoeken naar andere toepasbare grondstoffen, met het doel dit productieproces te willen beheersen en te profiteren van de macht, die hem dat verschaft. Kernenergie bijvoorbeeld is voor hem dé energievorm bij uitstek; alleen al op de wijze  waarop de productie hiervan maatschappelijk is geregeld.

De maatschappelijke productie, ''welke in overeenstemming moet zijn met de volledige menselijke ontplooiing'', zal de basis moeten zijn voor een nieuwe productiewijze. De strijd hiervoor krijgt, geboren uit de noodzaak van individuen, krijgt nu vorm in de praktijk van o.a. de Memo-beweging.

Arbeid

Waar Marx spreekt over de vernietiging van 'het bolwerk van de oude maatschappij, de boer' en van de oorspronkelijke gezinsband, is zijn voorspelling maar gedeeltelijk uitgekomen. De landbouw is nog steeds voor een belangrijk deel op dat bolwerk gebaseerd. Wel is het zo dat de behoefte aan sociale veranderingen en de tegenstellingen op het platteland in overeenstemming zijn gebracht met die van de stad, onder invloed van de arbeidersbeweging. Ook kan de afschaffing van de hiërarchie binnen het landbouwbedrijf, als positief gevolg van de industriële revolutie worden gezien: het is dat wat we nu  de afbrokkeling van het patriarchaat en de toenemende feminisering zouden noemen. Maar Marx heeft het niet over de boerin. En zij blijft ook nu nog in een ondergeschikte positie van huishoudster-met-een-extra-taak, en zij heeft niet de status van loonarbeiders, laat staan die van boeren, verworven.

Marx spreekt zich wel uit over de kwaliteit van de arbeid, en de onderdrukking in de arbeid.
Volgens ons dient arbeid niet alleen tot inkomen te leiden, maar ze dient op zich in komen te zijn.
De sfeer waarin arbeid plaatsvindt, het doel van de arbeid, het product van de arbeid en haar werking en neven werking, dienen inkomen te zijn. Zowel maatschappelijk als individueel. Hierop zou de arbeidssituatie aangepast moeten zijn. In het begin van de opkomst van de arbeidersbeweging kenmerkte de strijd zich door het gevecht voor verbetering van de arbeidsomstandigheden, allereerst in de (groot) industrie.

Na behaalde resultaten werd de verworven positie van de arbeiders gestabiliseerd en werd de strijd voor een groot deel verlegd naar loonsverbetering. Aan de gevolgen van de ' kombinatie van arbeidsprocessen' voor de arbeider heeft men niet willen sleutelen..... Deze gevolgen worden nu pas belicht, nu de rentabiliteit van de arbeid terug loopt door loonsverhoging en door ziekteverzuim en dergelijke.
Marx zegt: '' Het kapitaal ontstaat slechts daar, waar de bezitter van produktie en bestaansmiddelen de vrije arbeider op de markt aantreft als verkoper van zijn arbeidskracht; deze ene historische voorwaarde omvat een wereldgeschiedenis.'' En:
'' Het kapitalistische wordt dus gekenmerkt door het feit, dat de arbeidskracht voor de arbeider zélf de vorm aanneemt van een aan hem toebehorende waar, zijn arbeid dus de vorm krijgt van loonarbeid. Bovendien wordt dan pas de warenvorm van de arbeids producten algemeen''. ( Het kapitaal, ned. vertaling,pg.110).
Nu de arbeider is bevestigd in zijn positie en hem mondigheid en zelfstandigheid wordt toebedacht, kan men er van uitgaan dat hij dit verworven recht ten eeuwige dage in praktijk zal moeten brengen en uitbouwen. Maar nu hij zijn waar, de arbeid, verliest wordt zijn statuts en daarmee zijn positie op een schijnwereld gebouwd.

Ook toen de arbeider nog een goed bestaan had en redelijk betaald werd, en daarmee zijn consumptie driften vrijelijk kon uitbouwen (in de 50-er en 60-er jaren) had hij zelf geen grip op de kapitalistische productie processen. De vakbonden hebben hiervoor geen moeite gedaan. Zij hebben hun eigen positie niet op het spel willen zetten. Zij hebben zichzelf niet overbodig willen maken. 'Arbeiders-Zelfbeheer'- ten dienste van algemeen belang- is altijd een utopie gebleven. De vakbeweging heeft haar strijd gericht op de verbeteren van de schijn consumptie en nooit de konsekwenties daarvan overzien, laat staan reëel door gediscussieerd. Zij heeft uiteindelijk meegeholpen het eigen leefmilieu te ondergraven. De technologie wordt ten nadele van de arbeiders gebruikt, tot zijn vijand gemaakt. Zij wordt toegepast omwille van de vermeende verbeterde grip die de producent op het productieproces zou hebben. Deze vorm van technologie kan echter alleen (renderend) worden toegepast wanneer grondstoffen, die hiervoor nodig zijn, relatief goedkoop zijn. We willen de waarde van de technologie niet onderschatten, alleen omdat ze verkeerd wordt toegepast. Met name de ontwikkeling van de feine technologie zou van grote betekenis kunnen zijn wanneer men zich hiermee zou richten op positieve menselijkheid, kleinschaligheid en overzichtelijkheid. De arbeiders lijken op het kapitalistische productieproces geen grip te hebben. De macht van het proletariaat wordt onderuit gehaald. Toch menen we dat er een overmatige waarde wordt toegekend aan de macht van de producent. Het doemdenken komt wat dat aangaat op een juist moment. De producent is echter afhankelijk van de consument. En daar ligt de macht van de  arbeider als consument. Hij kan het product niet kopen, gericht kopen. Hij kan ook niet werken, gericht werken. Hij zou zelfs over kunnen gaan tot het zogenaamde prosumentschap. Producent en consument in één persoon verenigd. De verpersoonlijking van zelfstandigheid en collectivisme, direct betrokken bij de basis van het bestaan.

Hopelijk kunnen we het opbrengen dit niet alleen tot een utopie te maken, maar tot een reële opening naar een nieuwe mens en milieuvriendelijke ontwikkeling van de maatschappij. Toch is uiteindelijk niet de noodzaak voor de aandacht voor ons voortbestaan het belangrijkste, maar het onvervreemdbaar recht om zelf de keuze voor wel of niet voortbestaan in de hand te hebben. Het in de wereld zijn krijgt zijn menselijke waarde door de uiteindelijke keuze en het effect ervan, door wat de mensheid doet.
Men moet zelf kunnen beslissen of men wel of niet tot het einde toe feest blijft vieren, terwijl er duidelijk is omgeroepen dat de 'Titanic' zinkt, of dat een virus alles plat legt, en of  het in beide gevallen,het de prijs wel waard is.

Stella *
Hendrik :).
Groningen 1983
Nederland.